In het Filisteintje van november 1993 ging de Journalist voor het eerst op pad om een diepte-interview af te nemen. Om dit voorbeeld enigszins te volgen proberen we vanaf nu regelmatig een nieuw interview online te zetten. We gaan beginnen met de ooms en tantes, broers en zussen uit de eerste lijn.


We beginnen met Francine, de grondlegger van het papieren Filisteintje.
Het eerste papieren Filisteintje is van februari 1993. Bijna 33 jaar later dus de eerste digitale versie van ‘Het Interview van de Journalist’.
De Journalist – Waar en hoe ben je opgegroeid?
Francine – Waar? In Barendrecht, aan de Gebroken Meeldijk. En hoe? In een gezin van 11 kinderen. We zaten in de tweede groep. Met ‘we’ bedoel ik mijn tweelingzus en ik. Gezellig, respectvol naar elkaar. Wij moesten zeker respectvol zijn naar ouderen en onze ouders. Het was heel liefdevol. We moesten allemaal hard werken, je werd niet ontzien. Het maakte niet uit of je een jongen of een meisje was.
De Journalist – En je zei tweede groep. Wat bedoel je daar dan mee?
Francine – Er was een groep tot en met Cees en daarna is er een baby geweest die overleden is. Dus er zit ruim 4 jaar tussen Cees en ons, terwijl er tussen de andere kinderen allemaal ongeveer twee jaar zat. Dus wij zaten in de tweede groep met Wim, Aart en Rens, waar weer steeds 2 jaar tussen zat.
De Journalist – Er is toch 2 keer een kindje overleden?
Francine – Dat klopt, ja. De allereerste was na 3 dagen overleden. Deze was geboren voordat Gert geboren is. Dat was de reden dat opa en oma moesten trouwen. De andere baby die overleden is, is na Cees geboren, dus voor ons. Deze baby was 3 maanden oud.
De Journalist – Wat was je favoriete spel of bezigheid als kind?
Francine –Favoriete bezigheid was ’s avonds naar de radio luisteren, Radio Luxemburg. En als kind, jong kind, moesten we ’s avonds leren breien. En we hadden wat popjes en wat dingetjes, daar mochten we dan aan tafel mee spelen tot je naar bed ging. Dat was het wel. En buitenspelen.
De Journalist – En hoe zag een gewone schooldag eruit toen je klein was?
Francine – De gewone schooldag was: opstaan, ontbijten en dan ging je lopend naar school aan de Straatweg in Rijsoord. Tussen de middag liep je naar huis, dan was er warm eten en dan ging je om één uur weer terug naar school. En als je uit school kwam, dan moest je andere kleren aan en dan mocht je buiten spelen.
De Journalist – Wat voor huis hadden jullie en had je een eigen kamer?
Francine – We hadden een heel oud huis, wel groot. Twee kamers: een grote kamer en een kleinere kamer, die was 4 bij 6. En dan een aangebouwde lange keuken, oud, en dan kwam je door de schuur binnen. In de schuur stond een grote zaagmachine, waar mijn vader hout aan het zagen en hakken was voor de kartelzaag, aanmaakhout. En er stond een houten trap. Die ging je dan op en als je dan omkeek, dan keek je op een zolder waar je eigenlijk net niet over kon lopen, maar je probeerde het wel. En dan ging je twee hele grote zolderkamers in. Op de eerste zolderkamer sliepen wij. Daar was een glazen dakpan, dat was al het licht wat binnenkwam. En in de tweede zolderkamer zat een dakraam, daar was iets meer licht. Die kamer leek daardoor wat groter en wat frisser. Maar je zag gewoon het riet en dat was gewoon zoals het was. Sommige kinderen die meegingen, vriendinnen, die zeiden dat het een schuur was, maar wij waren er blij mee. Het was wel wat somber.
De Journalist – Je zegt, daar sliepen wij. Wie zijn dan wij?
Francine – Dat zijn Sjanie en ik. We sliepen in een tweepersoonsbed. En toen wij klein waren heeft Cees daar nog een poosje geslapen met Wim en Aart. Rens is later geboren en die lag beneden in een ledikantje in de bedstee. En toen is Cees al snel doorgeschoven, want in de eerste kamer was Gert er al heel snel uit en daar sliepen dan alleen Dick en Jaap nog. Dan bleven Aart en Wim in de achterste kamer, en ook die schoven uiteindelijk weer door. Naarmate er weer kinderen uit gingen. Dus op een gegeven moment hadden Sjanie en ik samen die zolderkamer. En dan had je Janny en Truus natuurlijk, maar wij waren heel klein toen Janny en Truus trouwden, 8 of 9 of zo. En van die jaren weet ik eigenlijk niet waar iedereen sliep, eerlijk gezegd.
De Journalist – Er is natuurlijk best een periode geweest dat jullie bijna allemaal thuis woonden.
Francine – Zeker weten. Ik weet nog dat Rens geboren is. Sjanie en ik hadden een tweepersoonsbed en dan werd Wim er aan het voeteneind achter tussen geschoven. Zo konden we dus met z’n drieën slapen in een bed. Helemaal prima.
De Journalist – Wat waren je ouders, dus mijn opa en oma, voor mensen?
Francine – Tsja, het waren eigenlijk twee heel verschillende mensen. Mijn vader liet Gods water over Gods akkers lopen zoals we dat vroeger zeiden. Hij keek het eens aan, hij knikte een keer of hij lachte een keer. Maar mijn moeder had wel degelijk de scepter in handen en die regelde eigenlijk alles. Maar altijd wel liefdevol. Ik heb nooit van mijn vader of mijn moeder een klap gehad, echt nooit. Ook geen lelijk woord, echt niet. En als je iets deed wat ze niet aanstond, dan hoefde mijn moeder alleen maar te kijken. Dat was eigenlijk al voldoende. Als je de deur te hard dichtgooide dan riep mijn vader alleen maar: hé, kom eens terug! En dan moest je de deur normaal dichtdoen. Nou, dat deed je graag, want dat vond je verschrikkelijk. Hij was nooit boos, dus als die het was, dan kwam dat echt wel binnen. Mijn moeder en mijn vader waren eigenlijk beide heel liefdevol. En als mijn vader echt een keer uit de slof schoot, dan zei mijn moeder: “Hé Wim, laat maar even” en dan was de kous af.
De Journalist – Heb je nog bijzondere herinneringen aan feestdagen of tradities van vroeger?
Francine – Jazeker. Mijn vader was daar heel erg van, en alle tradities moesten gevierd worden. Het maakte niet uit wat, Koninginnedag, Pasen, Kerst, Pinksteren. Alles was een feest. Zoveel jaar getrouwd was een feest en iemand jarig was een feest. Vaderdag was een feest, Moederdag was een feest. Allerlei tradities werden altijd wel heel erg in ere gehouden.
De Journalist – En werden die dan ook op het traditionele manier gevierd?
Francine – Ja, wat op dat moment de traditie was, dat volgden we gewoon. We deden gewoon met de massa mee.
De Journalist – En was je dan ook met het hele gezin bij elkaar met dat soort momenten?
Francine – Doordat je 20 jaar verschil hebt tussen de oudste en de jongste, is er natuurlijk altijd een bepaalde groep die de ene festiviteit leuker vindt dan de ander. Dus in dat soort groepjes werd het gevierd.
De Journalist – Hoe leerde je je partner kennen?
Francine – Nou ja, Jan was chauffeur bij ons thuis. Het was een vriend van de jongens. Hij voetbalde bij de jongens. Ik vond hem helemaal niet sympathiek, want als hij in het doel stond en het ging niet naar zijn zin, dan pakte hij de auto en dan reed hij weg. Dan liet hij het hele team staan. Nou, dat vond ik echt verschrikkelijk. Maar goed, dat deed hij gewoon. En ik was nog verloofd op dat moment, dus het was ook helemaal niet aan de orde dat ik daar iets mee zou krijgen. Maar nadat ik mijn verloving verbroken had op een gegeven moment, is dat toch zo gegroeid. Jan was daar heel vasthoudend in en die heeft gewoon volgehouden. Dus ja, zodoende zijn we eigenlijk bij elkaar gekomen.
De Journalist – Wat vond je familie daarvan?
Francine – Jan kwam eigenlijk uit een heel ander soort gezin, want zijn vader was onderdirecteur bij Piet Smit in Rotterdam, dus dat had aanzien en hij reed in een hele mooie luxe Amerikaanse wagen. Dus ja, ik weet nog dat Dick een keer met hem bij hem thuis geweest was en die zei, nou, dat gaat echt niks worden hoor. Want die mensen zijn echt ver boven onze stand, die wonen in een appartement in Zwijndrecht. Nou ja, dat kwam over voor ons als heel super deluxe. Dus ja, ze keken heel erg tegen hem op, maar hij heeft een hele goede beurt gemaakt: hij is namelijk de enige geweest die ooit aan mijn vader gevraagd heeft of hij met mij om mocht gaan. Dus daarin was hij echt ouderwets opgevoed, daar maakte hij wel vrienden mee.
De Journalist – Wat zijn de mooiste herinneringen aan je broers en zussen?
Francine – Oh, aan allemaal of stuk voor stuk?
De Journalist – Nou ja, misschien gewoon iets waarvan je denkt: “Nou, dat is me heel erg bijgebleven”.
Francine – Er is zoveel eigenlijk. Maar wat wij wel echt altijd deden was flink bekvechten, of nou ja, wij noemden het discussiëren. Maar een ander dacht dat we minstens elkaar in de haren zouden vliegen. Het mooie is dat we altijd toch voor elkaar partij trokken. Ik weet ook dat ik voor mijn rijbewijs naar theorieles moest, dat ik uit Ridderkerk kwam en dat er een vent achter me aan kwam. Ik kwam huilend thuis en toen zeiden de jongens meteen dat ze er wel eens even op af zouden gaan. En ook toen we met de krant gingen: als ze maar dachten dat wij lastiggevallen werden door iemand, dan kwam het hele spul in actie en dan was je er voor elkaar. Dat is wel iets wat me heel erg is bijgebleven. En Cees scheelde maar 4 jaar met ons, met hem was het veel donderjagen, maar altijd gezellig.
De Journalist – Je hebt uiteindelijk veel neefjes en nichtjes gekregen en je was heel jong toen je voor het eerst tante werd. Wat vond je er het leukst aan om tante te zijn?
Francine – Ja, ik was geloof ik 9 of 10 jaar of zo toen Meta geboren is. Dat was super interessant eigenlijk. Ik realiseerde het me niet zo, ik realiseerde me meer dat Wim, Aart en Rens oom waren geworden dan dat ik zelf tante was geworden. Het was wel heel leuk dat wij zo jong, we waren dus 9 en 10, de verantwoordelijkheid kregen voor zo’n kleintje. We gingen op de fiets naar Truus, naar Hendrik-Ido-Ambacht, en dan ging Truus met onze fiets naar huis om te werken bij onze moeder, en wij liepen met de kinderwagen met Siem van Hendrik-Ido-Ambacht naar Barendrecht. Dat was best heel wat, zeker achteraf gezien. Dus ik heb ook pas heel veel later verteld dat we hem het viaduct weleens af lieten rollen en dat wij er achteraan gingen rennen. Dat hebben we toen niet verteld, maar later wel. Je werd eigenlijk voor ouder aangezien dan tegenwoordig op die leeftijd. Je kreeg veel meer verantwoordelijkheid voor bepaalde dingen.
De Journalist – Heb je een familielid op wie je veel lijkt?
Francine – Ja, mijn zus.
De Journalist – Dat was te makkelijk… 😉
Francine – Ik heb eigenlijk geen idee. Naarmate ik ouder word zie ik soms dat ik bepaalde dingen meer van mijn vader heb dan van mijn moeder en een ander moment weer eens andersom. Ik kan niet specifiek iemand aanwijzen waar ik heel erg op lijk, nee.
De Journalist – Wat mis je het meest van vroeger?
Francine – Wat ik bij heel veel mensen mis is dat je niet meer zomaar bij iemand spontaan binnen kan wandelen. Dat was vroeger bij ons wel anders, bij mijn moeder kon iedereen binnen wandelen. En al was ze ergens mee bezig, dan deed ze haar schort af – of niet – en dan ging ze zitten en zei: ‘Wil je koffie of thee?’ Ze wilde graag zorgen. Die zorg, dat mis ik. Mensen zorgen minder voor elkaar. Er is geen tijd meer voor gezelligheid of zomaar even een praatje. Dat zijn dingen die ik het meest mis van vroeger.
De Journalist – En wat is iets waarvan je juist blij bent dat het nu anders is?
Francine – Doordat we vroeger meer om elkaar bekommerden, was er ook meer bemoeienis met elkaar. Dus ja, sociale controle is fijn, maar het kan ook te veel zijn. Het is nu alleen niet een beetje minder, het is helemaal weg. Dat is aan de ene kant wel beter en aan de andere kant slechter. Ik vind dat wel lastig.
De Journalist – Hoe vierden jullie vroeger verjaardagen of bruiloften?
Francine – We kleedden ons dan netjes aan. En dan kwam er ’s avonds allemaal visite. We hadden dan alles klaargezet, stoelen aangesleept zodat iedereen kon zitten. Iedereen zat in een grote kring, of het liep wat heen en weer. Thuis hadden we twee kamers. In de voorkamer zaten de oudjes, zeg maar, en daar werd volop gerookt. En in de achterkamer zat de jeugd, daar lag dan vaak een sjoelbak of zo en de jongeren zaten er te kaarten. Puur gewoon gezelligheid en dat was dan de verjaardag.
De Journalist – Werden jullie verjaardagen altijd gevierd? En kwamen er dan bijvoorbeeld ooms en tantes?
Francine – Onze verjaardag werd altijd gevierd, ja. Maar ooms en tantes kwamen vooral bij mijn vaders en mijn moeders verjaardag en niet bij de kinderen.
De Journalist – Wat was je eerste baan en wat verdiende je toen?
Francine – Mijn eerste baan was eigenlijk gelijk na de huishoudschool. Er was een meneer bij mijn vader aan de deur gekomen en die was op zoek naar iemand om de kranten voor 3 ochtenden per week rond te brengen. Dat werd toen aan mijn vader gevraagd, dat werd niet aan ons gevraagd. Maar mijn vader dacht: dat kunnen die meiden dan misschien wel doen. We konden daar 75 gulden per week mee verdienen, dat was toen knap geld. In die tijd ging een chauffeur met 120 gulden per week naar huis. Dus als wij dan samen 75 gulden konden verdienen in die 3 ochtenden, dat zag hij wel zitten, dus daar zijn we mee begonnen. En we zijn het blijven doen. Ik heb het gedaan tot mijn 18e geloof ik, en dat waren 500 kranten ’s morgens en 250 ’s middags. Nadat die 3 keer in de week voorbij was, gingen we alle dagen. We moesten ook het geld ophalen van de maand- en weekklanten. Dat hebben we maar 2 of 3 jaar gedaan en daarna is dat allemaal met de giro’s gegaan. Wij verdienden samen 250 gulden per week en daar konden twee chauffeurs van betaald worden. In moeilijke tijden van het transportbedrijf was dit erg welkom. Ik durf wel te zeggen dat wij daar een behoorlijke steen aan hebben bijgedragen.
In die tijd waren er nieuwe huizen gebouwd en daar zochten ze een meisje voor een paar ochtenden per week, en dat leek me zo leuk! Mijn moeder vond eigenlijk dat ik het niet moest doen, maar ik wilde het zo graag, werken in die mooie grote huizen. Dat heb ik ook nog anderhalf of twee jaar gedaan. We gingen om 4 uur ’s morgens uit bed voor de krant, dan maakten we een pak brood klaar. En in de winter deed mijn vader een beetje rum in de thee, want het was veel te koud, zei hij dan. En ’s middags mocht ik dan slapen. Behalve op de dagen dat ik in dat nieuwe grote huis moest werken, dat was een Chinees gezin van vliegeniers, echt een hele beleving vond ik. De Chinese meneer kookte altijd het eten, hij zei dan: ‘Welheet, wellekker’. Dat waren mooie en speciale ervaringen.
De Journalist – Weet je nog waar je was bij een belangrijke gebeurtenis? Bijvoorbeeld de eerste televisie, of dat jullie voor het eerst een televisie kregen.
Francine – Ja, de eerste televisie. Dat was volgens mij een poosje voordat Willem-Alexander is geboren. Zwart-wit natuurlijk. Ik weet niet meer precies wanneer, maar ik vermoed dat Dick met mijn vader… want Dick hield ervan om allerlei dingen die nieuw kwamen te hebben, maar mijn vader was daar ook niet vies van. Die vond dat meer achter de schermen, niet te openlijk, maar hij regelde wel dat het toch in huis kwam. Dus ja, dat was een hele bijzondere gebeurtenis.
De Journalist – Hoe ervoer je de veranderingen door de jaren heen, bijvoorbeeld in mode, muziek of technologie?
Francine – Tsja, nou ja, muziek. Ik was altijd wel heel erg met muziek bezig en met liedjes zogenaamd schrijven en dan weer weggooien.
De Journalist – Konden jullie altijd muziek luisteren?
Francine – Jazeker, we mochten altijd muziek luisteren. Zodra er een pick-up in de buurt kwam, dan werden er ook plaatjes gedraaid. En ja, mijn vader en moeder hielden allebei van muziek. Niet dat ze met alles dezelfde smaak hadden, maar toch ook wel heel veel dingen weer wel. En die ontwikkeling is altijd wel op de voet gevolgd, vooral door alle jongens natuurlijk. Maar toch ook wel door mijn vader. Hij had daar geen grote mond over, maar hij zorgde wel dat het wel binnenkwam. Hij wilde het wel hebben.
De Journalist – En dan bijvoorbeeld mode, want jullie hebben natuurlijk op dat gebied ook wel aardig wat meegemaakt door de jaren heen.
Francine – Ja mode, dat was niet zo’n hot item. Ten eerste was er geen geld voor om je elke keer daaraan aan te passen. We kregen heel veel kleding van een nicht van mijn moeder uit Rotterdam. Dat vonden we super spannend. Want die had veel modernere kleren. Nee, je moet je voorstellen: als wij een rok hadden die te kort was, dan zette Janny er een gekleurd stuk tussen. En dan kon je er gewoon nog weer een jaar mee doen. Ik weet nog goed dat we een hele mooie kerstjurk hebben gekregen en die was het eerste jaar te groot, het tweede jaar paste hij, en het derde jaar was hij te klein. Dus daar moest je gewoon een paar jaar mee doen. Dat vond je ook niet erg. Ik weet dat wij 10 of 11 jaar waren, denk ik, en toen hadden we een witte plissérok met erop een bruinbeige suède jasje. Dat was denk ik zo’n beetje de eerste dingen die we qua mode kregen. Nou, daar liep je een beetje te paraderen, man. Al had je niks te doen, je liep heel die Gebroken Meeldijk uit, want ze moesten het wel zien. Vooral mijn vader was er heel erg trots op dat wij als tweeling er hetzelfde uitzagen en dat we een klein beetje met de mode meededen.
De Journalist – Kregen jullie altijd dezelfde kleding?
Francine – Ook al kregen we het niet, dan kozen we hetzelfde. We hebben wel heel veel jaren hetzelfde gedragen, maar we vonden het heel gewoon. We droegen bijna elke dag hetzelfde.
De Journalist – Wat was een moment in je leven waarop je echt trots was?
Francine – Er zijn natuurlijk zoveel verschillende fases waarin je momenten hebt dat je trots geweest bent. Ik kon er bijvoorbeeld heel erg trots op zijn als we met z’n allen, en dan bedoel ik echt met z’n allen met mijn vader en moeder en de hele club en jullie klein, op een hele grote familiefoto kwamen. Dat zijn wel momenten ja, dat je de bloedband voelt en dat je dan daar heel erg trots op kan zijn. Trots om deel te zijn van die grote familie. Ik zie het ook zo dat je niet iets bereikt ondanks het grote gezin waar we uit komen, maar het is dankzij dat grote gezin. Omdat je een ander soort opvoeding hebt genoten.
De Journalist – Wat denk je dat speciaal anders is dan in een kleiner gezin en mensen die in een kleiner gezin zijn opgegroeid?
Francine – Ik denk dat je veel meer leert om te delen. Je leert ook om respect voor elkaar te hebben want je was ook soort verantwoordelijk voor je broertjes en je zusjes. Ik zie dat wel als dingen die horen bij een groot gezin. In kleinere gezinnen werd veel meer alles afgemeten. Wij waren natuurlijk gelukkig gezegend met het feit dat mijn vader op de veiling liep, dus bij ons kwam bijvoorbeeld een kist appels in huis en niet 1 kg, dus er was altijd voldoende eten. Je mocht ook altijd een appel pakken, je moest ze wel helemaal opeten. Er werden geen halve appels weggegooid, maar ja, er was altijd volop. En er was ook altijd plezier, minder strijd. Natuurlijk werd er wel gestreden, want dat leer je ook in een groot gezin, maar niet op het venijnige af.
De Journalist – Eigenlijk heb je hierop het antwoord al een beetje gegeven maar wat is de belangrijkste les die je in je leven hebt geleerd?
Francine – Delen en verdraagzaam zijn, ik denk dat dat wel een hele belangrijke les is. Met elkaar voor elkaar, dat was ook wel een gevleugelde uitspraak van mijn moeder.
De Journalist – Als je iets tegen je jongere zelf zou kunnen zeggen, wat zou dat dan zijn?
Francine – Dat heb ik toevallig al heel vaak met een psycholoog besproken, dat ik te veel verantwoordelijkheid op me heb genomen toen ik klein was. Het is niet dat het me opgelegd is, maar ik heb het naar me toegetrokken en dat heeft me later toch wel hoofdbrekers bezorgd.
De Journalist – Wat betekent geluk voor jou?
Francine – Ik geloof dat alles wat we hebben besproken vormen van geluk zijn. Er zijn momenten dat je heel gelukkig kan zijn. Ik kan in mijn eentje net zo goed gelukkig zijn als met alles om me heen, want geluk zit in mezelf. Dat is iets wat je krijgt denk ik maar waar je soms ook een beetje naar moet zoeken. Je moet ook een beetje je best doen om gelukkig te zijn, denk ik. Je moet de positieve dingen willen zien. Dus ik kan bijvoorbeeld gelukkig zijn als de kinderen binnenstappen, als Francis met de jongens binnenstapt. Of toevallig vanmiddag was Jo-Ann er even en dan krijg je een knuffel, dat is voor mij geluk.
De Journalist – Heb je een levensmotto of een gezegde wat je altijd is bijgebleven?
Francine – Mijn moeder was heel erg van de spreuken en daarvan heb ik er natuurlijk een aantal overgenomen, bijvoorbeeld ‘waar je hem raakt, doe je hem zeer’. Wat eigenlijk betekende: er is altijd iets te doen, maakt niet uit wat. En ik denk ‘met elkaar voor elkaar’. Dat vind ik echt een mooi motto, iets wat je je kinderen mee wilt geven.
De Journalist – Wat was je grootste kattenkwaad als kind – behalve dat je je neefje van de brug af liet rollen in de kinderwagen dan 😉-
Francine – Ik was wel ondeugend, dat geef ik direct toe. Ik was ondeugender dan Sjanie altijd, maar Sjanie liep er wel achteraan hoor. Mijn grootste kattenkwaad, belletje trekken natuurlijk, dat hebben we allemaal wel gedaan. En ja, slootjespringen, je wist dat je het net niet haalde. Je ging de polder in, we hadden natuurlijk de polder voor en achter ons dus ja, dat soort kattenkwaad, dat deden we wel. Ik geloof niet dat we echt gemeen kattenkwaad of dingen hebben uitgehaald.
De Journalist – Had je een idool of beroemdheid waar je fan van was? Nou ja, die weten we wel natuurlijk hè… Cliff.
Francine – Natuurlijk, ja. Cliff Richard. Die stond zo (gebaart met haar handen) op de slaapkamerdeur. Op een gegeven moment ging de poster kapot en toen stond alleen de schaduw er nog op, dat vond mijn moeder doodeng. Ik denk dat ik 13 of 14 was, toen kwam hij voor het eerst op televisie. Nou, vanaf dat moment was ik gelijk fan, dus echt mijn leven lang.
De Journalist – En wat deed je dan? Want daar kon je natuurlijk verder toen niet zoveel mee.
Francine – Toen ik jong was natuurlijk niet, want om te beginnen had je het geld niet. Ik weet trouwens nog wel dat ik in de Panorama een oproep gedaan heb met de vraag: “Kunt u mij het adres van Cliff Richard geven?” En dat mijn vader op de veiling werd aangesproken en dat ze zeiden: “Hé joh, je dochter stond in de Panorama!” Toen was ik denk ik 14 of 15. En soms liep je door de winkels. Ik kwam niet zoveel in winkels en in de stad al helemaal niet, maar als je er eens kwam, stonden er van die ansichtkaarten met filmsterren. Ja, en toen heb ik er toch wel eens een kaart gepikt. Dat geef ik eerlijk toe.
De Journalist – Daar komt het kattenkwaad dan toch nog! Hadden jullie zakgeld?
Francine – Nee, dat had je niet. Zakgeld en al die flauwekul daar deed mijn vader niet aan hoor. Je kreeg wat je nodig had, en altijd volop. Ik weet nog goed dat ik 19 was en dat ik met de melkboer meeging om te werken en die rekende bij mijn moeder af. Maar goed, toen ik trouwde was wel alles gespaard van handdoeken en uitzet. Dat regelde mijn moeder. Die zorgde dat je alles meekrijgt, dus je had het ook niet nodig.
De Journalist – Gold dat ook voor de jongens, voor je broers?
Francine – Denk ik wel. Maar ik denk dat ze in grote lijnen misschien 10 of 15 gulden hebben gekregen, zakgeld, en wij kregen een keer extra nieuwe nylonkousen, maar daar houdt het verder wel een eind mee op. Ja, het was er niet en iedereen accepteerde dat.
De Journalist – Wat was het gekste modeverschijnsel wat je hebt meegemaakt. Modeverschijnsel kan van alles zijn, maar iets waarvan je denkt, dat was zo raar in die tijd.
Francine – Ik weet nog dat er nikkebokkers kwamen. Die waren echt vreselijk, dat vond ik echt niet leuk! Ik weet niet eens zeker of ik er wel eens een heb gehad maar ik geloof het wel. En wat ik ook heel erg vond, altijd die sokken die afzakten. Als iemand stretchsokken had kon ik daar zo jaloers op zijn. Janneke Kooiman, die had ze dus. Ik kom haar nog wel eens tegen en dan zeggen we het nog wel eens tegen elkaar. Ja, dat vond ik echt verschrikkelijk.
De Journalist – Kun je nog een oud familieverhaal vertellen, wat nog steeds iedereen laat lachen?
Francine – Jeetje, daar moet ik even over nadenken. Als we met elkaar zitten komt er altijd van alles boven. Jan den Hollander heeft wel vaker voor leuke momenten gezorgd. Die had een keer een heel klein autootje, Champignonnetje of zoiets heette dat ding en dat probeerde hij mee door de schuurdeur te rijden. Nou ja, dat ging natuurlijk niet, dus daar hebben we met z’n allen wel vreselijk om gelachen. Maar om nu echt één moment te noemen, er waren zoveel momenten, zoveel dingen waar iedereen dubbel van lag. En met Cees waren er veel grappige momenten. Die liep dan bijvoorbeeld met een schaal mandarijntjes en dan kregen we allemaal er één. Dan was er bijvoorbeeld één grote en die lag dan op de rand met zijn duim erop zodat je die niet kon pakken.
De Journalist – Wat was je lievelingseten vroeger en kook je dat nog wel eens?
Francine – Mijn lievelingseten was lammetjespap, gele vla met rozijnen. Dat kookte mijn moeder, en ik kook het ook nog weleens ja. Op zaterdag hadden we vroeger altijd soep met pap, en dan maakte ze vaak lammetjespap. Tenminste, zo noemde ze dat. Misschien heeft ze die naam wel zelf verzonnen.
De Journalist – Is er wel eens iets gebeurd wat heel veel impact heeft gehad?
Francine – Ik heb wel eens onder het ijs gezeten als kind, dat was wel heel erg heftig ja. Dat heeft wel veel invloed gehad toen ik klein was. Ik was denk ik ergens tussen de 8 en 10 toen het gebeurde. Sjanie is toen naar huis gerend. Het was aan de Noldijk, als je zo naar beneden de stoep af kwam. Ik zou de plek nog aan kunnen wijzen. En mijn vader kwam in zijn lange onderbroek, want die stond zich te wassen of die ging dat net doen. Dus die kwam in zijn lange onderbroek en die heeft me onder het ijs vandaan gehaald. Daar heb ik heel lang last van gehad, ook toen jullie allemaal klein waren en als het dan winter werd, tsja.
De Journalist – Toen je eruit gehaald was, was je toen ook gelijk weer oké?
Francine – Wassen, kleren aan en dan ging je weer verder. Maar ik heb er natuurlijk later wel last van gehad ja. Maar daar werd vroeger niet zoveel aandacht aan geschonken, dus ja. Ik heb misschien een extra snoepie gehad, maar daar houdt het wel mee op.
De Journalist – Zijn er nog andere gekke heftige dingen gebeurd in je jeugd, met jezelf of met broers of zussen?
Francine – Nou ja, toen ik een keer de hond uit ging laten, dat Cees met de vrachtwagen de stoep af kwam en die dondert daar om met de auto. Dat was heftig hoor, als je er staat. Maar gekke dingen, ernstige dingen, niet echt. Ja, ik weet nog dat mijn moeder haar broer overleed. Die was 50, toen dacht ik: waar maken jullie je toch allemaal zo druk om, die man is oud. Ik was natuurlijk klein, maar als ik daaraan terugdenk is dat wel erg hè. Maar als kind zie je dat gewoon zo. Verder gaat er als je klein bent ook veel langs je heen. Die meiden moesten natuurlijk trouwen toen, dat hoorden wij aan maar daar snapte je verder weinig van. Als kind werd je ook niet meer verteld dan nodig was. Als de jongens een schuine bak wilden vertellen, werd je naar buiten gestuurd om te kijken of het nog regende. Dat kan je je tegenwoordig niet meer voorstellen, die tijd was zo anders. Ik moet zelf soms nadenken, dan denk ik: het lijkt wel uit een ander leven, niet te geloven.Bovenkant formulier
De Journalist – Is er nog iets wat je zelf nog wil vertellen over vroeger waar we het nog niet over hebben gehad?
Francine – Er zijn zoveel dingen gebeurd natuurlijk, daar kan je over blijven praten. Ik ben als klein kind heel ziek geweest, maar dat zijn van die dingen die weet je zelf niet, dat is wat je verteld wordt. Dat kan Janny misschien meer over vertellen dan ik. Ik weet nog goed dat ik eens bij mijn vader in de auto zat, ik mocht mee naar de Kamer van Koophandel in Rotterdam. Toen stonden we daar bij die rotonde, volgens mij is die daar nog, en daar werd op dat moment een motorrijder aangereden. Nou, in mijn herinnering lag de hele straat vol met bloed. Dat zal niet zo geweest zijn natuurlijk, maar hij heeft het niet overleefd. Dat was best heftig en daar heb ik ook echt nog wel een poos last van gehad. Mijn vader was binnen toen dat gebeurde, dus zodra hij weer instapte zei hij: “Laten we maar gauw gaan.” Toen werd eigenlijk niet echt gepraat over dat soort dingen, je ging gewoon weer door. Daarin werd je ook als kind niet begeleid.
De Journalist – Om terug te komen op de vraag wat tegenwoordig beter is dan vroeger: is dit dan misschien iets wat tegenwoordig beter gaat? Dat er meer nazorg is als je iets heftigs meemaakt?
Francine – Zeker weten! Hoewel we nu soms wel weer de neiging hebben om door te slaan de andere kant op, denk ik.
De Journalist – Zijn er nog andere dingen die niet ter sprake zijn gekomen?
Francine – Ach kind, ik kan nog uren vertellen over vroeger. We hebben gelukkig ook zoveel met elkaar gelachen. Wat nog wel erg leuk is om te vertellen is dat er vroeger ook regelmatig Jehova getuigen aan de deur kwamen, mijn moeder hield altijd wel van een discussie maar ze had er op een bepaald moment helemaal geen zin in. Toen m’n moeder ze weer aan zag komen zei ze tegen mij, ‘kom, we verstoppen ons’. Uiteindelijk lagen we samen onder de tafel, die Jehova getuigen liepen toen ook achterlangs en klopten op de deur. En wij lagen dus onder de tafel te giechelen en wachten, ons afvragend of ze al weg zouden zijn. We hebben hier ook achteraf nog echt heel erg om gelachen! We hebben ook vaak heel erg gelachen met Thijs Lokersen, die kwam op maandag middag altijd met zijn fiets met een groot papieren pak achterop. Daar zat allerlei lingerie en handdoeken en theedoeken in om te verkopen, hij had dan ook van die onderbroeken met een pijpje, dat noemde we truttenbroeken. Cees vond het leuk om hem te plagen, hij vroeg hem dan ‘heb je nog van die truttenbroeken?’ Dat vond Thijs echt niet leuk. Cees haalde dan bijvoorbeeld een bevroren hemd van de drooglijn buiten en zette die rechtop voor Thijs op tafel en zei, ‘kijk nou eens wat voor rommel je verkoopt man, dat kan je toch niet aantrekken’, Het ging soms zo ver dat Thijs wel vroeg als hij aankwam: ‘Is Cees er?’ want dan zette hij zijn fiets zo neer dat hij hem binnen vandaan kon zien. Cees zette die fiets vaak ergens anders als Thijs het niet zag. Thijs bleef wel komen want onze uitzet werd bij hem gekocht, maar je merkte aan hem dat hij altijd een beetje huiverig was voor Cees. Maar misschien kan Cees daar zelf meer over vertellen als je hem gaat interviewen, die heeft vast nog verhalen zat!
De Journalist – Er is een gerucht dat Willemstein eigenlijk niet jullie familienaam zou moeten zijn, dat opa een onecht kind zou zijn. Wat vind je daarvan en hoe kijk je daar zelf naar?
Francine – Toen we het hoorden, ik was denk ik een jaar of 14, 15, ja ik vond dat wel spannend. Opa was sowieso niet een hele gezellige opa, dus ik vond de gedachte dat hij niet echt onze opa was niet zo erg. Er was een tijd dat je steeds meer verhalen hoorde en na een poosje zakt dat dan weer een paar jaar weg. Totdat je zelf ouder bent en getrouwd bent en dan ga je geruchten horen. Tante Trui vertelde dat op Rijsoord, waar mijn vader dus geboren en getogen is, hij wel eens bij de benzinepomp stond bij Bestenbreurtje en dan liepen er mensen die daar werkten: “Hé Willem, daar komt je vader.” Dan was daar die boer, die dus zijn biologische vader zou zijn geweest, aan het tanken. Dus mijn vader wist het. Hoewel mijn vader het nooit aan ons heeft verteld. Mijn moeder heeft het verteld, maar mijn vader niet. Ik heb van tante Trui ook gehoord dat het een boer was. En in het begin werd er wel gezegd dat het een boer uit de Hoeksche Waard zou zijn, maar dat is niet waar geweest. Het is waarschijnlijk gewoon een boer uit Rijsoord geweest.
De Journalist – Weet je wie het is?
Francine – Wel een vermoeden, maar ik weet het niet zeker. Er zat een hele grote boerderij langs de Straatweg, Landzicht geloof ik, ik denk dat die het is. Als ik erlangs kom moet ik er altijd wel aan denken. Ik zou eigenlijk best willen weten of die familie het weet. Het is destijds ook een beetje tegengehouden door de dokter van Rijsoord, die zei dat we die familie niet overhoop moesten gooien. Maar goed, het is misschien wel 40 jaar geleden dat hij dat zei, kom op zeg, de tijd is veranderd toch! Alleen Truus heeft het altijd ontkend, maar Truus was fan van opoe en opa. Zij werd ook altijd verwend door ze. Het verhaal gaat dat mijn opa, die dus niet echt mijn opa is geweest, een kwee was. Zo noemden ze vroeger iemand die geslachtsloos was. Ik weet dat niet zeker, maar dat is het verhaal. Hij kon dus zelf helemaal geen kinderen krijgen. En mijn opoe was zwanger van die boer, dus zo zijn ze samengebracht. Voor mijn opa was het goed om toch te kunnen trouwen en opoe had een man, zo was het probleem grotendeels opgelost. Er zijn ook verder geen kinderen gekomen, dus ik ga steeds meer geloven dat het zo is gegaan.
Ik hoop ergens nog wel dat we nog eens achter komen wie biologisch de voorvader is van de Willemsteinen. Niemand zou zich toch meer lullig hoeven te voelen over wat er gebeurd is. Het is zo lang geleden, de persoon die zich niet netjes heeft gedragen leeft al lang niet meer. Wie weet ooit, ik ben benieuwd.
De Journalist – En toen was er dus in 1993 een moment dat je bedacht dat het een goed idee was om een papieren nieuwsblad met de familiegebeurtenissen uit te brengen?
Francine – Ja, dat klopt. Ik vermoed dat we dat met elkaar hebben bedacht. Misschien wel met een nieuwjaarsreceptie of zo. Misschien is het wel meerdere keren ter sprake gekomen, maar nam niemand het voortouw, en dat heb ik toen dus gedaan.
De Journalist – En weet je nog een beetje hoe dat dan is gegaan? In de eerste uitgave staan een aantal rubrieken, zoals de verjaardagen en wist-u-datjes…
Francine – Ja, je gaat dat dan verzinnen. Wat wil je dan in zo’n krantje, wat wil je als nieuws vertellen? En dat is natuurlijk ook gegroeid, want er zijn in de loop van de jaren wel wat rubrieken toegevoegd. Om aan nieuws te komen moesten we rondbellen. Er was natuurlijk nog geen computer. Of in elk geval hadden wij die niet. Jan en ik hebben dan dingen uit zitten knippen en dan moest je dat tijdens het kopiëren erbij leggen. Dat kan je ook nog goed zien als je het Filisteintje bekijkt. Heel onprofessioneel, maar wel heel erg leuk. En Ineke deed mee, en later Gerda. Die had dan als eerste een computer. Nou ja, dat was natuurlijk toen een verademing, dat ging allemaal supersnel. En zo is die van lieverlee steeds mooier geworden en gegroeid. Dus zo maakten we het Filisteintje. Steeds weer vragen aan die of gene: weet jij nog iets? Is er nog iets leuks met de kinderen op school?
De Journalist – Kun je nog dingen herinneren waar je achter bent gekomen doordat je het Filisteintje ging maken? Waarvan je het anders misschien nooit of veel later eens gehoord zou hebben?
Francine – Die zullen er zeker zijn, maar dan zou ik er doorheen moeten bladeren.
De Journalist – Hebben jullie leuke reacties gehad op het Filisteintje?
Francine – Jazeker, ze vlogen er altijd op af als we ze meebrachten. We deelden ze uit op verjaardagen of nieuwjaarsreceptie of zo. Ze waren altijd heel erg in trek!
De Journalist – Je hebt ongeveer 10 jaar lang Filisteintjes gemaakt, en toen stopte het. Hoe ging dat?
Francine – Het was altijd erg leuk om te doen, maar er ging toch wel heel veel tijd in zitten. Als ik naar Gerda ging, soms in de winterdag, dan ben ik echt wel eens met dichte mist of met ijs terug komen rijden. Dan zei Jan: “Sjonge jonge jonge, moet dat nou?” Maar ja, het moest wel, want anders kwam er geen krantje. En dichterbij was er niemand die het kon. En Gerda vond het ook heel leuk. Ineke is op een bepaald moment gestopt, ik geloof omdat het toen te druk en te veel was. En toen heeft Gerda dat overgenomen. Gerda verzamelde informatie aan die kant en ik deed dat aan deze kant. En dan ging ik met Jan plakken en puzzelen om het in elkaar te krijgen. Ja, Jan heeft er ook heel veel aan meegeholpen hoor!
De Journalist – We zien hem een aantal jaren wel een keer of 4 per jaar, en dan op een gegeven moment gaat hij naar één keer per jaar voor 2 of 3 jaar, en daarna is het klaar.
Francine – Ik denk dat ik op een gegeven moment gewoon te veel werd. De eerste jaren hielp Jan vooral met het printen en in elkaar puzzelen. Hij is toen in 1996 overleden. Ik denk dat er ook steeds minder werd ingeleverd en de kleinere kinderen werden groter, dus er waren minder van die grappige dingen te vertellen. Er is nog wel sprake van geweest dat het door anderen overgenomen zou worden. Ik dacht dat Corrie nog wel eens had gezegd het over te willen nemen, maar goed, dat is dus niet van de grond gekomen.
De Journalist – Tot slot, wat zou je de jongere generatie van de familie willen meegeven?
Francine – Ja, ik heb het al eerder gezegd maar dit vind ik een hele belangrijke voor de jongere generatie. Met elkaar voor elkaar en laat niet te makkelijk dingen vallen waarvan je nu denkt, het is niet zo belangrijk, want later kom je tot de ontdekking dat het wel belangrijk is. De dingen die je leert wanneer je klein bent, die groeien naarmate je ouder wordt. En dan kan je het niet meer terugpakken, dat vind ik heel triest. Dat zie ik gebeuren bij de jongere generatie en dan denk ik, er komt een dag dan heb je zo’n spijt en dan kan je het niet meer terugpakken. Verdraag elkaar, accepteer dingen van elkaar. Stap ergens overheen. Stap eens over je eigen schaduw heen. Er is zoveel waar je van kan genieten en doe dat. Dat vind ik wel iets wat ik mee zou willen geven ja.
De Journalist – Bedankt voor je openheid. Het is misschien lastig om het spits af te bijten maar ik denk dat vele je verhaal met plezier zullen lezen.